HOMEPAGE
EMRO Nederland
Agriton.com
Ervaringen met het Agriton systeem
Onderzoeksresultaten en praktijkervaringen

Door: ir. H.T.A. Peters
Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1: Inleiding. *Hoofdstuk 2: Onderzoeks-ervaringen met het Agriton Systeem. *
2.1. Onderzoek op de Landbouwuniversiteit Wageningen. *
2.2. Onderzoek op praktijkbedrijven. *
Hoofdstuk 3: Praktijkervaringen met het Agriton Systeem. *
3.1. De drijfmestbehandeling (Agrimest en EM). *
3.1.1. Ervaringen met de drijfmestbehandeling: *
3.1.2. Conclusie met betrekking tot de drijfmestbehandeling. *
3.2. Ervaringen met het Agriton graslandbeheer. *
3.2.1. Resultaten met het Agriton graslandbeheer. *
3.2.2. Effect van Agriton producten op de opbrengst van grasland bij gevarieerd bemestingsniveau. *
3.2.3. Additionele resultaten verkregen met Agriton producten. *
3.2.4. Conclusie m.b.t. graslandbeheer. *
3.3. Ervaringen met verschillende toepassingsmogelijkheden van EM. *
3.4. Ervaringen met Bokashi. *
Hoofdstuk 4: Samenvatting. *
Appendix: Ervaringen van melkveehouders met het Agriton systeem. *
De Nederlandse melkveehouderij verkeert in toenemende mate in grote problemen. Door de intensieve productiesystemen zijn grote milieu- en gezondheidsproblemen ontstaan voor mens en dier. Voorgestelde oplossingen zetten de bedrijven onder financieel zware druk. Immers het oplossen van de problemen zal gepaard moeten gaan met een sterke reductie van de nutriëntengiften hetgeen volgens de gangbare landbouw een daling van de productie en daaraan gekoppeld een daling van het inkomen tot gevolg zal hebben. Agriton heeft voor het oplossen van de problemen echter een geheel andere benadering. Resultaat hiervan is dat ondanks een vermindering van de nutriëntengiften de productie in hoge mate kan worden gehandhaafd. In de folder: "Het Agriton Systeem voor een gezonde melkveehouderij" kunt u meer lezen over deze visie.
De producten die behoren bij het Agriton systeem zijn:
- Effectieve Micro-organismen.
- Zeeschelpenkalk.
- Effectieve Micro-organismen.
- Effectieve Micro-organismen.
Het verslag dat nu voor u ligt omvat samenvattingen van onderzoeken uitgevoerd door onder andere de Landbouwuniversiteit in Wageningen en ervaringen van 43 melkveehouders die producten van Agriton op hun bedrijf gebruiken. Deze bedrijven zijn bezocht in de periode december 1997 - februari 1998. Dit verslag geeft u een overzicht van de mogelijkheden die de producten van Agriton u kunnen bieden.
Veel melkveehouders hebben in de afgelopen jaren geëxperimenteerd met producten van Agriton. Een grote meerderheid van deze melkveehouders staat zeer positief tegenover de werking van het Agriton systeem. Zij hebben zelf ervaren dat met minder input (minder kunstmest) de productie inderdaad gehandhaafd kan worden. Daarnaast is op de Landbouwuniversiteit wetenschappelijk aangetoond dat EM onder bepaalde omstandigheden de groei van gras kan stimuleren. Tevens is onderzoek verricht op proefbedrijf ‘de Ossekampen’ van de Landbouwuniversiteit. Daarnaast leren de ervaringen ook dat de producten een gunstig effect kunnen hebben op een aantal andere factoren. Zo heeft de drijfmestbehandeling volgens melkveehouders een positief effect op de homogeniteit van de drijfmest en op het stalklimaat en kan het graslandbeheer een dichtere zode en een betere bodemstructuur leveren.
In Hoofdstuk 2 worden de onderzoeken gepresenteerd waarvan op het moment van schrijven een verslag beschikbaar is. In Hoofdstuk 3 worden de ervaringen van melkveehouders met producten van Agriton besproken. In de appendix worden in het kort de ervaringen van individuele melkveehouders gepresenteerd.
Hoofdstuk 2: Onderzoeks-ervaringen met het Agriton Systeem.
In 1997 is er op verschillende plaatsen en manieren onderzoek verricht naar de mogelijkheden en de werking van de producten van Agriton. In dit hoofdstuk worden de resultaten hiervan kort samengevat.
2.1. Onderzoek op de Landbouwuniversiteit Wageningen.
De Potproef.
In het voorjaar van 1997 is door de vakgroep Bodemkunde en Plantenvoeding een potproef uitgevoerd met als doel een indruk te krijgen van de invloed van EM op de groei van Engels raaigras.
Hiervoor werden potten gevuld met IJsselmeergrond. Aan deze grond werd al of niet kunstmest, al of niet drijfmest, en al of niet EM toegevoegd. Na het zaaien zijn de potten waaraan EM was toegevoegd wekelijks gesproeid met EM. Alle behandelingen zijn in drievoud uitgevoerd. Twee sneden werden geoogst en geanalyseerd.
Resultaten (droge stofopbrengst in gram per pot):
A. Behandelingen zonder kunstmest: |
||
| 1e snede | 1e en 2e snede |
geen drijfmest, geen EM | 7.21 | 10.69 |
geen drijfmest, wel EM | 8.66 plus 20.1%*) | 11.36 plus 6.3% |
|
|
|
wel drijfmest, geen EM | 11.49 | 16.30 |
wel drijfmest, wel EM | 12.89 plus 12.2% | 17.23 plus 5.7% |
|
|
|
Agriton systeem, geen EM | 12.56 | 17.93 |
Agriton systeem, wel EM | 13.30 plus 5.9% | 18.02 plus 0.5% |
B. Behandelingen met kunstmest: | ||
| 1e snede | 1e en 2e snede |
Geen drijfmest, geen EM | 13.24 | 24.66 |
Geen drijfmest, wel EM | 14.89 plus 12,5% | 26.13 plus 6.0% |
|
|
|
Wel drijfmest, geen EM | 15.33 | 30.35 |
Wel drijfmest, wel EM | 15.47 plus 0.9% | 30.63 plus 0.9% |
|
|
|
Agriton systeem, geen EM | 14.20 | 30.66 |
Agriton systeem, wel EM | 15.18 plus 6.9% | 32.48 plus 5.9% |
*)
De percentages zijn het verschil in droge stofopbrengst bij 2 overeenkomstige behandelingen met als enig verschil wel of geen toevoeging van EM.
Zoals de resultaten laten zien blijkt de droge stofopbrengst van de eerste snede en die van de eerste en tweede snede gezamenlijk hoger bij alle potten waaraan EM is toegevoegd. De verhoging van de opbrengst gemeten in de eerste snede werd bij de tweede snede niet gevonden. Daarom is de procentuele verhoging over eerste en tweede snede samen minder hoog dan die voor de eerste snede.
Conclusie:
In deze potproef is wetenschappelijk aangetoond dat EM onder bepaalde omstandigheden de groei van gras kan stimuleren. De opbrengsten bij 3 van de 6 EM-behandelingen waren significant hoger vergeleken met de controlegroepen. Dit betekent dat bij 3 type behandelingen met meer dan 99% zekerheid de opbrengstverhoging veroorzaakt is door EM. In de andere 3 gevallen kan dit niet met meer dan 99% zekerheid gezegd worden, in deze gevallen zouden andere factoren ook een rol gespeeld kunnen hebben.
Uit de proef lijkt ook de trend naar voren te komen dat het effect van EM groter is, naarmate minder nutriënten aan de bodem worden toegevoegd. De opbrengsten die significant hoger waren hadden minder nutriënten gekregen. Deze trend is zeer interessant vanwege de huidige problemen in de melkveehouderij. Dit zou namelijk kunnen betekenen dat indien de nutriënteninput omlaag gaat, EM kan bijdragen de productieverlaging te compenseren.
Proefbedrijf: ‘de Ossekampen’.
Proefbedrijf "de Ossekampen" van de Landbouwuniversiteit in Wageningen is een melkveebedrijf dat 70 hectare grasland op zware klei omvat. In mei 1997 is het grasland van dit bedrijf verdeeld in twee vergelijkbare delen. Eén helft is met kleimineralen en EM behandeld, de andere helft heeft een normale behandeling gehad. De bemestingniveaus zijn gelijk gehouden. Tevens zijn twee diergroepen (2 x 20 dieren) gemaakt: de ‘EM’ groep en de ‘controle’ groep. Deze groepen waren gemiddeld gelijk in productie, pariteit, lactatiestadium en lactatiewaarde. De EM groep is beweid op de EM percelen en is dagelijks 0.5 kg EM Bokashi per koe gevoerd. De controlegroep is beweid op de gangbare percelen.
Rond 20 mei is de ‘EM’ groep verplaatst naar een perceel waar de eerste snede eigenlijk al te rijp was voor beweiding. Dit resulteerde, de eerste helft van juni, in een iets lagere melkproductie t.o.v. de controle groep. In juli was de melkproductie echter bijna gelijk. Tevens werd geleidelijk duidelijk dat de fysieke conditie van de EM groep verbeterde. In augustus was de melkproductie van de EM groep hoger dan de controle groep. Het experiment is afgesloten in december. In de tabel is de melkproductie van juni tot december aangegeven.
Melkproductie: juni – december 1997.
| Controle | |||||
| Melk | vet | eiwit | Melk | Vet | Eiwit |
Mei | 23.3 | 23.3 | ||||
Juni | 21.6 | 4.25 | 3.26 | 22.2 | 4.09 | 3.35 |
Juli | 21.7 | 3.91 | 3.33 | 21.5 | 3.98 | 3.28 |
August. | 21.2 | 4.09 | 3.35 | 19.7 | 3.97 | 3.31 |
Sept. | 21.2 | 4.04 | 3.39 | 19.3 | 4.34 | 3.47 |
Okt. | 21.0 | 4.27 | 3.56 | 18.1 | 4.46 | 3.7 |
Nov. | 19.5 | 4.79 | 3.59 | 17.0 | 4.87 | 3.7 |
Dec. | 15.8 | 4.64 | 3.52 | 13.7 | 4.83 | 3.61 |
Gemid. | 20.3 | 4.26 | 3.42 | 18.8 | 4.32 | 3.47 |
In totaal zijn bij de 1e snede 75 hectaren grasland gemaaid en ingekuild. Een overzicht is gepresenteerd in de volgende tabel.
Droge stofopbrengst en kuilonderzoek van de 1e snede.
| EM-percelen | Controle-percelen. |
Hectaren | 43.4 | 30.8 |
Droge stofopbrengst (ton/ha) | 7.0 | 6.8 |
|
|
|
Ruw eiwit | 15.0 | 16.1 |
VEM | 770 | 840 |
Ammoniakfractie | 10 | 7 |
Ruwe celstof | 29.6 | 27.0 |
Suiker | 2.0 | 6.3 |
Tenslotte zijn er ook nog twee groepen jongvee gevormd. De dieren werden geselecteerd op leeftijd, voorspelde productiewaarde (INET) en voorspelde kalfdatum. De EM-groep is beweid op EM-percelen.
Karakteristieken jongvee.
| EM groep 1 | Controle 1 | EM groep 2 | Controle 2 |
Aantal | 5 | 5 | 6 | 9 |
Startleeftijd (dagen) | 528 | 497 | 345 | 352 |
|
|
|
|
|
Groei: (gram/ dag) |
|
|
|
|
Periode 1 | 767 | 595 | 802 | 672 |
Periode 2 | 948 | 948 | 740 | 870 |
Gemiddelde groei. | 839 | 736 | 777 | 751 |
Periode 2: 9 december – 24 februari.
Conclusie:
Uiteraard beïnvloeden randvoorwaarden zoals bedrijfsvoering (tijd van maaien, bemesten), rantsoensamenstelling, etc. de resultaten. In dit onderzoek wordt geprobeerd deze randvoorwaarden te optimaliseren. Meer ervaring is nodig teneinde dit te bewerkstelligen. Tevens is belangrijk op te merken dat op basis van de werking van het Agriton systeem mag worden verwacht dat de positieve effecten ervan in de tijd duidelijker zullen worden. Op dit moment kunnen op basis van de bovengenoemde resultaten nog geen algemene conclusies worden getrokken
Ook met betrekking tot het effect van EM bij vermindering van nutriëntengiften kunnen geen conclusies worden getrokken, omdat in deze proef de nutriëntengiften op EM- en controlepercelen niet gevarieerd konden worden.
2.2. Onderzoek op praktijkbedrijven.
In het groeiseizoen 1997 zijn in samenwerking met dr. Ir. M. Bruggenwert op een tweetal melkveebedrijven oriënterende graslandproeven uitgevoerd. Op elk van de bedrijven is een perceel met Engels raaigras onderverdeeld in 3 subpercelen van elk ongeveer 0.5 ha. De subpercelen kregen een behandeling, zoals in de onderstaande tabellen is aangegeven:
1. Melkveebedrijf in het land van Heusden en Altena (komklei).
| Subperceel 1 | subperceel 2 | subperceel 3 | |
1e snede, KAS (kg./ha.): | 0 | 150 | 400 |
2e snede, KAS (kg./ha.): | 0 | 100 | 300 |
1e snede, drijfmest (m3/ha): | 20 | 20 | 0 |
2e snede, drijfmest (m3/ha): | 16 | 16 | 16 |
EM besproeiing (1 liter/ha): | 2 x | geen EM | geen EM |
Opbrengst 1e + 2e snede: | 100 % | 98.2 % | 104.7 % |
(ton kuilgras/ha.) | 20.3 | 19.92 | 21.25 |
2. Melkveebedrijf in Friesland (zandgrond).
| subperceel 1 | subperceel 2 | subperceel 3 | |
KAS (kg./ha.): | 0 | 40 | 125 |
Drijfmest met EM (m3/ha.): | 17 | 17 | 0 |
EM besproeiing (1 liter/ha): | 1 x | 1 x | geen EM |
Opbrengst 1e snede: | 100% | 114% | 100% |
(ton kuilgras / ha.) | 8.83 | 10.07 | 8.87 |
Conclusie:
In deze proef hebben percelen met verlaagde nutriëntengiften in combinatie met EM vrijwel dezelfde grasproductie vergeleken met percelen met een hogere nutriëntengift. Uiteraard zijn deze resultaten mede bepaald door de bedrijfsvoering en andere omstandigheden. Bovenstaande resultaten kunnen niet als algemeen worden beschouwd, maar geven wel aanwijzingen voor de mogelijkheden om met behulp van het Agriton graslandbeheer de productie op peil te houden bij een verlaging van de nutriëntengiften. In vervolgproeven zal het effect van EM in combinatie met verschillende bemestingniveaus expliciet worden geïnventariseerd.
Hoofdstuk 3: Praktijkervaringen met het Agriton Systeem.
In de periode december 1997 - februari 1998 is een veertigtal melkveehouders bezocht die op hun bedrijf producten van Agriton gebruiken. In dit hoofdstuk wordt een samenvattend overzicht gegeven van de ervaringen die de melkveehouders met deze producten tot nu toe hebben opgedaan. In de Appendix worden de ervaringen van elk bedrijf afzonderlijk in het kort beschreven.
In deel 3.1 zullen de ervaringen met de drijfmestbehandeling worden besproken, daarna volgt in deel 3.2 het Agriton graslandbeheer, in deel 3.3 verschillende toepassingsmogelijkheden van EM en in deel 3.4 ervaringen met Bokashi.
3.1. De drijfmestbehandeling (Agrimest en EM).
De drijfmestbehandeling bestaat uit:
Gebruiksaanwijzing:
Start stalseizoen / start van drijfmestbehandeling:
Per aanwezige 100 m3 drijfmest:
Beide goed mengen in (bijv. 20 liter) water en in de mestkelder brengen.
In totale kelder:
Daarna iedere week (per 50 gve):
Beide goed mengen in 20 liter water en elke dag op een andere plaats in de kelder brengen zodat het goed over de mest wordt verdeeld.
Mochten er problemen blijven dan kan men voor een beter effect regelmatig EM in de drijfmest brengen:
3.1.1. Ervaringen met de drijfmestbehandeling:
In totaal zijn 43 bedrijven bezocht waarvan:
- 28 bedrijven Agrimest en EM in de drijfmest gebruiken.
- 8 bedrijven alleen Agrimest gebruiken
- 2 bedrijven alleen EM gebruiken
- 5 bedrijven geen Agrimest of EM gebruiken.
In totaal zijn er dus 38 bedrijven bezocht die de drijfmestbehandeling sinds korte of langere tijd gebruiken. Op twee bedrijven werd geen effect gezien van de drijfmestbehandeling, op de andere 36 bedrijven werden één of meerdere effecten geconstateerd. Deze effecten die door de melkveehouders zelf zijn ervaren worden hieronder genoemd:
Aantal bedrijven | |
32 | |
23 | |
8 | |
8 | |
6 | |
Enkele voorbeelden van de werking van de drijfmestbehandeling:
|
Dhr. Slager te Oosterstreek: Dhr. Slager had op zijn bedrijf altijd veel last van koekvorming op de drijfmest. Deze koek was zo dik dat je makkelijk over de drijfmest kon lopen. De loonwerker moest er aan te pas komen om de mest eruit te krijgen. Hij moest 17 uur mixen om alles los te krijgen. In 1993 is dhr. Slager Agrimest (later ook EM) op zijn bedrijf gaan gebruiken. Na enige tijd werd de drijfmest soepeler en hoefde hij nog maar twee uur te mixen om alles los te krijgen. Nu is mixen helemaal niet meer nodig. Mts. Uum te Voorst: Mts. Uum heeft aan de drijfmestkelder een andere 10 meter lange kelder gebouwd. De mogelijkheden om hier te mixen zijn zeer gering. In deze kelder ontstond altijd een dikke koek en het was dus altijd zeer moeilijk om de mest uit deze kelder te krijgen. In 1995 is Mts. Uum Agrimest en EM gaan gebruiken. De drijfmest werd dunner en er trad minder koekvorming op. Zeer opmerkelijk was dat de problemen in de aangebouwde kelder ook verdwenen en dat de mest dus makkelijk uit de kelder was te halen. |
3.1.2. Conclusie met betrekking tot de drijfmestbehandeling.
De introductie van ligbox-stallen en daarmee van drijfmest heeft naast voordelen ook enige lastige problemen met zich meegebracht bijv. de stank in stallen (stank wijst op ongezond klimaat) of koekvorming op de mest. De koekvorming kan zo sterk zijn dat de mest maar nauwelijks uit de kelder te halen is. Uit de praktijk blijkt dat deze problemen zeer effectief kunnen worden aangepakt met Agrimest en EM. De stank vermindert sterk waardoor het klimaat in de stal beter wordt voor mens en dier. Mixen kan veelal tot een minimum worden beperkt en koekvorming komt nog maar nauwelijks voor. Veehouders zijn in het algemeen enthousiast omdat het ergernis, tijd en soms geld bespaart.
Voor een goede werking en dus goede resultaten met de drijfmestbehandeling moet Agrimest zo goed mogelijk in contact komen met de drijfmest. De ideale manier om dit te bereiken is door de Agrimest dagelijks over het rooster te verdelen. In de praktijk blijken enige melkveehouders de Agrimest om de paar dagen, of eens per week in de drijfmest te brengen. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat hierdoor de werking van Agrimest minder is. Het advies blijft echter om de Agrimest dagelijks in de drijfmest te brengen.
Tevens ervaren melkveehouders het toevoegen van EM (naast Agrimest) aan de drijfmest als zeer positief. Aan de ene kant werkt de drijfmestbehandeling sneller aan de andere kant worden de resultaten beter. Het advies aan melkveehouders die veel moeilijkheden hebben met de drijfmest is dan ook om regelmatig EM (1x per drie weken) aan de drijfmest toe te voegen. Uit onderzoek blijkt dat EM de mineralisatie van organische mest bevordert. Op grond hiervan mag men verwachten dat EM ook in drijfmest nutriënten vrijmaakt die daardoor beter ter beschikking komen van de plant. Dit zou de benutting van de mest aanzienlijk kunnen bevorderen.
De algemene resultaten van de drijfmestbehandeling worden hier samengevat:
3.2. Ervaringen met het Agriton graslandbeheer.
Het Agriton graslandbeheer bestaat uit:
* één maal per jaar 200 kg. kleimineralen / hectare.
* één maal per drie jaar 500 kg zeeschelpenkalk /hectare (afhankelijk van pH).
* aantal malen per jaar in totaal 2 liter EM per hectare per jaar.
* drijfmest behandeld met Agrimest en EM.
In totaal zijn 41 bedrijven (inclusief 4 biologische bedrijven) bezocht die in het graslandbeheer producten van Agriton toepassen. De meeste van deze bedrijven zijn gevestigd in het noorden (Friesland) of oosten (Overijssel/Gelderland) van Nederland. Er zijn echter ook bedrijven bezocht in Drenthe, Brabant, en Noord-Holland. De grondsoort op deze bedrijven varieert van zandgrond (25 bedrijven), kleigrond (13 bedrijven) tot veengrond (3 bedrijven). Het aantal grootvee-eenheden/ha. varieert van 1.4 tot 4 gve/ha en het melkquotum van 225.000 tot 850.000 kg.
Veel bedrijven hebben delen van het grasland met producten van Agriton behandeld, terwijl andere delen op conventionele wijze ofwel ‘gangbaar’ zijn behandeld. Daardoor kunnen opbrengsten van ‘Agriton’ en ‘gangbare’ percelen redelijk goed met elkaar worden vergeleken. Met name de EM-technologie is nog maar kort op de Nederlandse markt. Daarom hebben de gepresenteerde ervaringen veelal betrekking op het jaar 1997; dat jaar had een uitstekend groeiseizoen.
Ten einde op een overzichtelijke wijze de ervaringen met het graslandbeheer weer te geven wordt hier volstaan met een samenvatting van de resultaten die met de Agriton producten op de bezochte bedrijven zijn verkregen. In de appendix worden de bevindingen van elk bedrijf afzonderlijk gepresenteerd.
3.2.1. Resultaten met het Agriton graslandbeheer.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal bezochte ‘gangbare’ bedrijven dat het Agriton graslandbeheer geheel of gedeeltelijk toepast. Tevens wordt een indicatie gegeven van de ervaring die men tot nu toe heeft met de Agriton producten.
Product | bedrijven | positief | geen mening | negatief |
Kleimineralen, zeeschelpenkalk, EM | 10 | 7 | 3 | 0 |
Kleimineralen, EM | 19 | 15 | 4 | 0 |
Kleimineralen, Zeeschelpenkalk | 1 | 0 | 1 | 0 |
EM | 3 | 3 | 0 | 0 |
Kleimineralen | 4 | 3 | 1 | 0 |
Totaal | 37 | 28 | 9 | 0 |
Geen van de bedrijven blijkt uitgesproken negatief te oordelen. Wel worden op enkele bedrijven kanttekeningen gemaakt betreffende het toepassen van de producten; het spuiten van EM wordt door enkelen als tijdrovend ervaren, terwijl in één geval spuiten moeilijk was omdat de nippels van de spuit verstopt raakten.
Negen bedrijven hebben nog geen duidelijke mening over de werking van de producten.
In de meeste gevallen is men nog te kort bezig met de producten om een oordeel te kunnen geven. Op enige andere van deze negen bedrijven zijn tegelijk met de Agriton producten andere ingrijpende behandelingen doorgevoerd, zoals het scheuren van grasland. Het effect van de Agriton producten bleek ook moeilijk vast te stellen indien alle percelen op een bedrijf zijn behandeld, zodat een vergelijking van de opbrengst tussen ‘gangbare’ en Agriton percelen niet mogelijk is.
De tabel laat zien dat driekwart van de bezochte ‘gangbare’ bedrijven positief oordeelt over de producten van Agriton. Een belangrijk criterium hierbij is de opbrengst van het grasland in relatie tot het bemestingsniveau. In de volgende paragraaf 3.2.2. wordt hierop nader ingegaan.
Er zijn vier biologische bedrijven bezocht die Agriton producten gebruiken. Eén bedrijf stopt met EM omdat het effect daarvan in het 1e groeiseizoen niet duidelijk zichtbaar was. Dit bedrijf gaat wel door met het gebruik van kleimineralen. De andere bedrijven gaan op basis van hun ervaringen door met het gebruik van de Agriton producten of breiden het gebruik daarvan uit.
3.2.2. Effect van Agriton producten op de opbrengst van grasland bij gevarieerd bemestingsniveau.
Eén van de hoofddoelen van het Agriton systeem is het op peil houden van de productie ondanks dat de aanvoer van nutriënten (vooral via kunstmest) wordt verlaagd. Op de bezochte bedrijven is daarbij in het bijzonder aandacht besteed aan de opbrengst van grasland in relatie tot het verschil in bemesting (drijfmest en kunstmest) op ‘Agriton’ en ‘gangbare’ percelen. Op enkele bedrijven is binnen één of enkele percelen een experiment uitgevoerd waarbij de kunstmestgift is gevarieerd. Goede voorbeelden hiervan zijn: Mts Nauta te Koudum, dhr. Talma te Twijzelerheide en dhr. Veenstra te Surhuizum.
Op andere bedrijven zijn op één of enkele percelen de producten van Agriton gebruikt en daarbij is ook de kunstmestgift aangepast. Hier volgt een kort overzicht daarvan.
Op 2 bedrijven was op de behandelde percelen de bemesting verminderd maar was de grasopbrengst ook iets verminderd vergeleken met de overige percelen.
3.2.3. Additionele resultaten verkregen met Agriton producten.
Naast de hiervoor beschreven betere benutting van meststoffen zijn door verschillende melkveehouders nog andere effecten geconstateerd na het toepassen van Agriton producten:
3.2.4. Conclusie m.b.t. graslandbeheer.
Samenvattend kan worden geconcludeerd dat een grote meerderheid van de bezochte melkveehouders positief oordeelt over de producten van Agriton, omdat op de percelen met Agriton producten de grasproductie op peil blijft ondanks een belangrijke vermindering van de kunstmestgift. Op veel bedrijven is op proefondervindelijke wijze vastgesteld dat op percelen met Agriton producten de benutting van nutriënten beter was dan op gangbare percelen. Dit zou betekenen dat de melkveehouder minder nutriënten hoeft aan te voeren waardoor hij makkelijker aan de normen van het MINAS zal kunnen voldoen. Tevens zijn er aanwijzingen dat het Agriton systeem kan leiden tot verbetering van het grasland, zoals een dichtere zode en snellere hergroei. Negatieve ervaringen blijven hoofdzakelijk beperkt tot opmerkingen betreffende de praktische uitvoering (arbeidstijd, verstopte nippels)
Het volledig achterwege laten van kunstmest leidde op sommige bedrijven tot een productiedaling. Hoewel op enkele andere bedrijven ook zonder kunstmest de opbrengst toch goed was, adviseert Agriton toch de kunstmestgift stapsgewijs af te bouwen tot een in de praktijk vast te stellen aanvaardbaar minimum.
3.3. Ervaringen met verschillende toepassingsmogelijkheden van EM.
EM als toevoeging in de gras/maïskuil.
Op 13 bedrijven is EM aan de kuil toegevoegd. Alhoewel vergelijkingsmateriaal niet voorhanden is, hebben melkveehouders in het algemeen de mening dat indien EM aan de kuil wordt toegevoegd de volgende resultaten worden verkregen:
EM in voetbaden, drinkwater of tegen diarree bij kalveren.
Daarnaast wordt EM op enkele bedrijven voor andere doeleinden toegepast. Zo wordt EM gebruikt in voetbaden i.p.v. formaline en in drinkwater onder andere bij kalveren tegen diarree. De resultaten hiervan zijn moeilijk te interpreteren mede omdat uniformiteit in de toepassing ontbreekt. Op verschillende bedrijven waar EM in een voetbad werd gebruikt nam het aantal klauwproblemen af (Hooisma, Hiemstra). Tevens herstelden kalveren met diarree zeer snel na het drinken van EM (Talma).
Bokashi is een mix van bierborstel, tarwezemelen en dinkeldoppen die zijn gefermenteerd met EM. Dit product is nog niet zo lang op de markt en wordt daarom ook nog niet algemeen gebruikt. Echter één bedrijf, dhr. Schilder, waar Bokashi is gebruikt is zeker de moeite van het vermelden waard.
|
Dhr. Schilder te Heerhugowaard Dhr. Schilder had op zijn bedrijf al geruime tijd last van uierontstekingen. Alles is geprobeerd om de ontstekingen te voorkomen, maar niets hielp. Op een gegeven moment is men Bokashi gaan voeren, waarna de uierontsteking langzaam (1 maand) verdween. Na 3 maanden is men gestopt met Bokashi voeren en de uierontstekingen kwamen weer terug. Dhr. Schilder is weer Bokashi gaan voeren en de uierontstekingen verdwenen weer. Tevens heeft men op het bedrijf geen last meer van slepende melkziekte. |
In de periode van december 1997 tot februari 1998 zijn op een veertigtal bedrijven ervaringen geïnventariseerd die zijn opgedaan met het Agriton systeem voor de melkveehouderij. In dit verslag zijn de ervaringen beschreven alsmede de resultaten gepresenteerd van onderzoek dat op de Landbouwuniversiteit naar de werking van het Agriton systeem is verricht.
Een belangrijk onderdeel van het Agriton systeem voor de melkveehouderij is de behandeling van drijfmest met Agrimest en EM (Effectieve Micro-organismen). De algemene ervaring op de bedrijven is dat de mest homogener wordt, aanmerkelijk minder koekvorming optreedt, hardnekkige koeken verdwijnen en het mixen aanmerkelijk makkelijker gaat en minder tijd vraagt. Vermindering van stank en financiële voordelen (minder mixen) worden tevens als zeer positief ervaren.
Bij het Agriton systeem voor de melkveehouderij neemt het graslandbeheer een centrale plaats in. Immers het hoofddoel van het Agriton systeem betreft het realiseren van duurzame landbouw waarbij de productie op peil blijft ondanks dat het gebruik van nutriënten (vooral van kunstmest) sterk wordt gereduceerd. De ervaringen op de bedrijven is dat op percelen waar het Agriton graslandbeheer wordt toegepast (kleimineralen, zeeschelpenkalk, EM en een behandelde drijfmest) de grasproductie inderdaad op peil blijft ondanks een sterke vermindering van de kunstmestgift. Met de komst van MINAS wordt dit als zeer belangrijk ervaren.
Bij onderzoek op de vakgroep Bodemkunde en Plantenvoeding op de Landbouwuniversiteit Wageningen is wetenschappelijk vastgesteld dat EM de groei van gras kan bevorderen. Bij een uitgebreide proef op proefbedrijf ‘de Ossekampen’ van de Landbouwuniversiteit blijkt tevens dat koeien die op ‘Agriton’ weide hebben gegraasd en Bokashi bijgevoerd kregen gemiddeld 1.5 kg melk per dag meer produceerden dan koeien die op ‘gangbare’ percelen graasden en geen Bokashi bijgevoerd kregen.
Op basis van de ervaringen op de melkveebedrijven en de resultaten van het onderzoek op de Landbouwuniversiteit wordt geconcludeerd dat het Agriton systeem voor de melkveehouderij een belangrijke bijdrage kan leveren aan het oplossen van problemen waar de melkveehouderij in toenemende mate mee wordt geconfronteerd.
Appendix: Ervaringen van melkveehouders met het Agriton systeem.
In dit hoofdstuk wordt van elk bedrijf afzonderlijk de verstrekte informatie in het kort weergegeven. Ten einde deze beknopte informatie beter te kunnen begrijpen wordt hier enige toelichting gegeven.
Mts. Nauta te Koudum, melkveehouderij: gve/ha: 2.3, quotum: 435.000 kg. 40 ha. knipklei op zand/veen (pH: 5.5, org. stof: 9 %).
|
Agrimest + EM: sinds herfst 96.
Graslandbeheer: Op twee percelen van elk 2 hectare is de volgende ‘proef’ uitgevoerd. Een perceel is in twee helften verdeeld en elke helft heeft een andere behandeling gekregen. De overige hectaren zijn gangbaar behandeld:
Drijfmest (met Agrimest) op alle percelen gelijk.
|
Dhr. Snijder te Wetering, melkveehouderij: gve/ha: 1.9, quotum: 300.000 kg. 42 ha. veengrond (pH: 4.5, org.stof: 20 %).
|
Agrimest +EM: sinds herfst 97. Graslandbeheer: Op 2,5 ha: 5x1 liter EM/ha. Bemesting: kunstmest en drijfmest (geen Agrimest) gelijk met andere percelen.
Op 1,8 ha: 5x1 liter EM/ha en 1x zeeschelpenkalk. Bemesting 100 kg N kunstmest minder (normaal 250 kg N), drijfmest gelijk (geen Agrimest).
Maïsland: In de drijfmest is 3 liter EM / 40 m3 toegevoegd. De maïsproductie was zeer goed: 60-70 ton / ha. |
Dhr. Wagter te De Steeg, alleen jongvee: opfok tot 5 maanden drachtig, 60 stuks. 12 ha bouwland op "löss" met grind, pH: 6-7, Voorheen was pH: 4.5 en was bekalken noodzakelijk. Thans wordt geen KAS meer gebruikt en pH stijgt. 28 ha. grasland bij rivier. Zware komklei op laagveen. pH 6-7.
|
Agrimest: sinds 1995 (5x per week). EM: sinds 1997. Aanleiding tot gebruik was zeer zware koek in de kelder (niet te mixen). Deze koek moest met speciaal apparaat moest worden verwijderd.
Graslandbeheer: 1996: Op kleine percelen, hier en daar EM. 1997: Alle percelen 2x behandeld met EM.
Op basis van de resultaten uit 1996/97 zullen dit jaar (1998) alle hectaren met het Agriton systeem worden behandeld. Dit houdt in: 3x1 liter EM, 500 kg zeeschelpenkalk, 200 kg kleimineralen. |
Dhr. Rusticus te Tzum, melkveehouderij: gve/ha: 1.7, quotum: 633.000 kg. 67 ha. kleigrond (pH: 7, org. stof: 12%).
|
Agrimest (geen EM): sinds ‘93.
Graslandbeheer: Op 9 ha grasland: 2jaar kleimineralen. Bemesting: kunstmest- en drijfmestgift gelijk met andere percelen. * De percelen met kleimineralen:
Op 3 maïspercelen: de helft van elk perceel met kleimineralen behandeld. * Tijdens oogsten is aan de loonwerker gevraagd om een schets te maken van welke delen de meeste maïs kwam. Precies de drie helften met kleimineralen werden door de loonwerker aangegeven. |
Mts. Uum te Voorst, melkveehouderij: 40 melkkoeien, 40 jongvee, 350 mestvarkens. 11 ha. zandgrond, pH (H2O): 5.5 in maïsland, 6.4 in grasland. org.stof: laag 15 ha. leem/ijzerhoudende grond, pH (H2O): 6.7, org. stof: 3.5
|
Agrimest + EM: sinds herfst ‘95; flinke portie EM daarna regelmatig Agrimest.
Graslandbeheer: Op alle percelen: 1 jaar kleimineralen. Bemesting: Voorheen (t/m 1996) 400 kg N kunstmest/ha. In 1997 150 kg N kunstmest/ha. Drijfmest gelijk.
Maïsland: Bij lage pH: drijfmest en zeeschelpenkalk. Daarnaast: kleimineralen door deels rijenbemesting en deels breedwerpig gezaaid. Stukken met en stukken zonder kunstmest. |
Dhr. Kotterink te Ommen, melkveehouderij: gve/ha: 2.3; quotum: 500.000 kg. 38 ha. Zandgrond (pH: 4.8-6.3; org. stof: 2.9-5.4).
|
Agrimest: sinds 1997, 1 maal per week over alle roosters.
Graslandbeheer: In 1997 op enige percelen: 1x kleimineralen. Bemesting: kunstmest gelijk (350 kg N kunstmest), drijfmest gelijk (35-50 m3).
|
Dhr. de Fyter te Meeuwen, melkveehouderij: 100 melkkoeien, 100 jongvee, 450 mestkalveren, 80 fokschapen, 450 lammeren. 60 ha. komklei.
|
EM: In herfst 97; 2 liter EM in de mestput.
Graslandbeheer: 1996: Op 3 ha: 225 kg kleimineralen/ha. Bemesting: 0 kg kunstmest (normaal: 510 kg N kunstmest); gebruikelijke drijfmestgift.
1997: Op alle percelen: 1x kleimineralen, 2x1 liter EM/ha Bemesting: 90 kg N kunstmest, drijfmest gelijk.
Daarnaast: EM in kuil; 10 liter EM in maïskuil: |
Dhr de Graaf te Kollumerzwaag, melkveehouderij: gve/ha: 1.8, quotum: 250.000 kg. 28 ha. zandgrond.
|
Agrimest + EM: sinds herfst 97.
Graslandbeheer: Op 2 ha. grasland: 1jaar kleimineralen, 2x1 liter EM/ha. Bemesting: 140 kg N kunstmest (normaal: 275 kg N), 45m3drijfmest (met Agrimest) meer.
|
Dhr. Couperus te Veenklooster, melkveehouderij: gve/ha: 2.0, quotum: 486.000 kg. 45 ha. zandgrond (pH: 5, org. stof: 6 %).
|
Agrimest + EM: sinds 96. In 1997 is geen EM meer aan de mest toegevoegd.
Graslandbeheer: Op 4 ha grasland: 1 jaar kleimineralen, 4x1 liter EM/ha. Bemesting: 100 kg N kunstmest (normaal: 275 kg N), drijfmest gelijk (Agrimest).
EM:
|
Dhr. de Jong te Surhuisterveen, melkveehouderij: gve/ha: 1.7, quotum: 500.000 kg. 60 ha. zandgrond (pH: 5.5, org. stof: 10%).
|
Agrimest: Nee
Graslandbeheer: Op 2,5 ha. grasland: 1jaar kleimineralen, 1x1 liter EM/ha. Bemesting: geen kunstmest (normaal: 160 kg N), 15m3 drijfmest (met Euromestmix) meer.
Maïsland: De helft van een perceel gewone drijfmest, de andere helft drijfmest met 1.5 liter EM erdoor gemengd:
|
Dhr. Talma te Twijzelerheide, melkveehouderij: gve/ha: 1.6, quotum 350.000 kg. 34 ha. zand op leem (pH:5.5, org. stof: 7 %).
|
Agrimest: sinds herfst 95, EM sinds 97.
Graslandbeheer:
Resultaat:
EM:
|
Dhr. de Jong te Oostermeer, melkveehouderij: gve/ha: 2.3, quotum: 853.000 kg. 65 ha. zandgrond (pH: 6, org. stof: 8%).
|
Agrimest + EM: sinds herfst 97.
Graslandbeheer: Op 3 ha grasland (voorjaar 1997): 1jaar kleimineralen, 2x1 liter EM/ha. Bemesting: 235 kg N kunstmest (normaal: 280), drijfmest gelijk (Agrimest).
|
Dhr. Veenstra te Surhuizum, melkveehouderij: gve/ha: 2.5, quotum: 837.000 kg. 80 ha. potklei op veen.
|
Agrimest: sinds 96, EM sinds 97.
Graslandbeheer:
|
Dhr. Hiedkamp te Kollumerzwaag, melkveehouderij: gve/ha: 1.9, quotum: 650.000 kg. 65 ha. zandgrond (pH:5, org. stof:5.5%).
|
Agrimest + EM: sinds herfst 96.
Graslandbeheer: Op 3 ha: 2jaar kleimineralen, 3x1 liter EM/ha. Bemesting: 150 kg N kunstmest (normaal: 350 kg N), gelijke drijfmest (Agrimest).
|
Dhr. Bark te Monnickendam, melkveehouderij: gve/ha. 2.4, quotum: 525.000 kg. 38 ha. veengrond (pH: 4.5, org. stof: 30% (20 cm)). Tevens F.I.R. gebruiker.
|
Agrimest + EM: sinds 96, voorheen FIR.
Graslandbeheer: Op 6 ha: 1jaar kleimineralen, 1x1 en 2x0,5 liter EM/ha.. Bemesting: Op de helft van deze percelen 45 kg N kunstmest andere helft 0 kg N kunstmest, drijfmest gelijk (Agrimest)
|
Mts. Vlastuin te Dalfsen, 40 melkkoeien, 40.000 vleeskuikens, 155 vleesvarkens en 3 ha consumptieaardappelen. 25 ha zandgrond: 16 ha grasland, 6 ha maïs en 3 ha bouwland., pH: 5.2, Org.stof 2,5 - 6 %.
|
Agrimest: sinds 1996
Graslandbeheer: September 1996: op ruim helft percelen: 1x kleimineralen, 1x zeeschelpenkalk. Voorjaar 1997: 1x1 liter EM op alle percelen. Bemesting: drijfmest gelijk, kunstmestgift 100 kg N/ha (vorige jaren 250 kg N/ha)
Zomer 1997, EM in alle kuilen:
Algemeen:
|
Dhr. Cnossen te Tzum, melkveehouderij: gve/ha: 2.8, quotum 300.000 kg. 29 ha. kleigrond.
|
Agrimest + EM: sinds herfst 96
Graslandbeheer: Op 5 ha: 1jaar kleimineralen, 2x1 liter EM/ha., Bemesting:165 kg N kunstmest (normaal 250 kg N), drijfmest gelijk (Agrimest).
EM: In de kuil: weinig verschil, EM-kuil wel smakelijker ze vreten de EM kuil eerst. |
Dhr. Hania te Westergeest, melkveehouderij: gve/ha: 2.0, quotum: 435.000 kg. 41 ha. kleigrond (pH: 5, org. stof: 15%).
|
Agrimest + EM: sinds herfst 96.
Graslandbeheer: Op 0,5 ha: 1jaar kleimineralen, 3x1 liter EM/ha.. Bemesting: 0 kg N kunstmest (normaal 370 kg N), 10 m3 drijfmest meer (met Agrimest).
Op 1 ha: 1jaar kleimineralen, 3x1 liter EM/ha.. Bemesting: 175 kg N kunstmest (normaal 370 kg N), + 10 m3 drijfmest (Agrimest).
|
Dhr. Sikkema te Westergeest, melkveehouderij: gve/ha: 2.0, quotum: 600.000 kg. 55 ha. klei op zand (pH: 6, org. stof: 5%).
|
Agrimest + EM: Nee
Graslandbeheer: Op 1 ha: 2jaar kleimineralen, 4x 2,5 liter EM/ha.. Bemesting: 100 kg N kunstmest (normaal: 300 kg N), drijfmest gelijk.
EM: In de graskuil: Geen schimmel of rotting, wel verwacht want de kuil was erg hoog. |
Dhr. Schilder te Heerhugowaard, melkveehouderij: gve/ha: 2.9, quotum: 320.000 kg. 35 ha. kleigrond (pH: 6.5, org. stof: 10%).
|
Agrimest + EM: sinds winter 96/97 (4x1 liter EM /jaar).
Graslandbeheer: Op 4 ha: 1jaar kleimineralen, 2x1 liter EM/ha.. Bemesting: 200 kg N kunstmest (normaal 350 kg N), drijfmest gelijk (Agrimest).
EM: In graskuil: Weinig verschillen kunnen ontdekken. (1 liter op 25 ha.) In maïskuil: Er was broei verwacht maar de kuil was zeer goed, zonder broei. Rotkreupel bij schaap: De poot gedoopt in EM-opl., binnen een week was de rotkreupel weg.
Bokashi:
|
Dhr. Slager te Oosterstreek, melkveehouderij: gve/ha: 3.8, quotum 328.000 kg. 26 ha. zandgrond.
|
Agrimest: sinds 95, EM sinds 97.
Graslandbeheer: Op 5 ha grasland: 1 jaar kleimineralen, 1x1 en 2x0,5 liter EM/ha. Bemesting: kunstmest gelijk, drijfmest gelijk (Agrimest).
|
Dhr. Hiemstra te Vinkenbuurt, melkveehouderij: quotum 540.000 kg. 35 ha zandgrond. (pH 5.5; org. stof: 8.5 %, gloeiverlies).
|
Agrimest/EM: Nee.
Graslandbeheer: 10 ha verdeelt in drie subpercelen: 1x kleimineralen (200 kg/ha). Bemesting: Voor uitrijden is 10 liter EM toegevoegd per 800 m3 drijfmest, de drijfmestgift is op alle percelen gelijk .
Voorheen: 400 kg zuivere N/ha in de vorm van drijfmest en kunstmest.
EM in voetbad i.p.v. formaline (1 liter EM/200 L water):
Opmerking van Hiemstra: "EM afzonderlijk over land spuiten vind ik te veel werk, en de spuit raakte verstopt". |
Dhr. Sijtsma te Harlingen, melkveehouderij: grupstal (vaste mest), quotum: 393.000 kg. 36 ha. afgegraven kleigrond (pH: 7, org. stof: 7-14%).
|
Agrimest (geen EM): sinds 95
Graslandbeheer: Op 5 ha: 3jaar kleimineralen, 2 jaar(3x1 liter EM/ha.), Op 12 ha: 1jaar kleimineralen, 3x1 liter EM/ha., Bemesting: 115 kg N kunstmest (normaal 225 kg N), vaste mest gelijk (Agrimest).
EM: Over ruwvoer:
|
Dhr. Mollenhorst te Den Ham, melkveehouderij: gve/ha: 3.3; quotum: 365.000 kg. 29 ha leemhoudende zandgrond. (pH: 5-6; org.stof 6%).
|
Agrimest en 4 x 1 liter EM in de stal.
Graslandbeheer: Op 5 ha grasland (jan. 1997): 1x kleimineralen, 4x 1 liter EM.
Bemesting: 200 kg N kunstmest (vroeger meer), af en toe triple P, graszouten, 40 m3 drijfmest
|
Dhr. Waanders te Haaksbergen, melkveehouderij: quotum: 400.000 kg (tevens aantal varkens). 23 ha. zandgrond, (pH: 6.5 (H2O), org. stof: 5%).
|
Agrimest: sinds herfst 96, EM sinds 97. alleen in één moeilijke put.
Graslandbeheer: Op 23 ha: 2jaar kleimineralen, 3x1 liter EM/ha.
Bemesting: Nu: 60 kg N Kunstmest, 1996 160 kg N, Minimaal 60 m3 drijfmest.
|
Dhr. Braam te Dalfsen, melkveehouderij: quotum 350.000 kg. 20 ha zandgrond.(pH: 5.3; org.stof: 3.8% gloeiverlies).
|
Agrimest: in seizoen 1996-97 zonder EM.
Graslandbeheer: 5 ha grasland (1997): 1x kleimineralen, 4 x 1 liter EM/ha Bemesting: in totaal 400 kg N/ha (KAS en drijfmest (50 m3/ha) en 200 kg triple fosfaat/ha
Daarnaast: In 1996 EM tot tevredenheid toegevoegd aan maïskuil. In 1997 EM toegevoegd aan maïs- en graskuil. |
Dhr. ten Dam te Beckum, melkveehouderij: gve/ha: 3.5, quotum: 375.000 kg en 50 meststieren. 23 ha. zandgrond (pH 5.8, org. stof: 4%).
|
Agrimest: sinds winter 96, EM sinds 97.
Graslandbeheer: Op 4 ha: 2jaar kleimineralen, 2x1 liter EM/ha. Bemesting: minder kunstmest, meer drijfmest (Agrimest).
|
Dhr. Attema te Donkerbroek, melkveehouderij: gve/ha: 1.8, quotum: 340.000 kg. 30 ha. zand/veen (pH: 6.8, org. stof: 11 % ).
|
Agrimest: sinds 93. EM sinds 97.
Graslandbeheer: Alle 30 ha: 3jaar kleimineralen, 2x zeeschelpenkalk, 2 jaar (5x1 liter EM/ha.). Bemesting: kunstmest: 400 kg N in 1995, 200 kg N in 1997, drijfmest (Agrimest).
EM in de kuil:
|
Dhr. Galema te Nijhuizum, melkveehouderij: gve/ha: 2.3, quotum: 427.000 kg. 35 ha. klei op veen (pH: 5, org. stof: 20%).
|
Agrimest: sinds 95, EM sinds herfst 97.
Graslandbeheer: Op 3,5 ha: 2jaar kleimineralen, 1x zeeschelpenkalk, 1x1 liter EM/ha.. Bemesting: kunstmest en drijfmest gelijk (Agrimest)
Bemesting: 200 kg N kunstmest (normaal 280 kg N), drijfmest gelijk (Agrimest)
|
Dhr. Santing te Ravenswoud, melkveehouderij: gve/ha: 1.9, quotum: 284.000 kg. 30 ha. zandgrond (pH: 5.3 org. stof: 9%).
|
Agrimest: sinds 93, In herfst 1997 5 liter EM in de mest.
Graslandbeheer: Alle 30 ha: 2jaar kleimineralen, 1x zeeschelpenkalk, 6x1 liter EM/ha.. Bemesting: In 1996: 280 kg N, in 1997: 200 kg N
EM:
|
Dhr. Coppelmans te Mariahout, melkveehouderij: gve/ha: 2.7, quotum 431.000 kg. 23 ha. zandgrond (pH: 5, org. stof: 6%).
|
Agrimest: sinds herfst 95, EM sinds 97.
Graslandbeheer: Alle 23 ha: 2 jaar kleimineralen, 1x zeeschelpenkalk, 1x1 en 2x0.5 liter EM/ha. Bemesting: Voorgaande jaren was N uit kunstmest 300 kg., nu nog 175 kg.
|
Dhr. Mulder te Driel, melkveehouderij: gve/ha: 2.0, quotum: 575.000 kg. 50 ha. komklei (pH: 5.2-7, org. stof: 10-15%).
|
Agrimest + EM: sinds herfst 97.
Graslandbeheer: Op 5 ha: 1jaar kleimineralen, 1x zeeschelpenkalk, 1,5 + 2x0,5 liter EM/ha.. Bemesting: 70 kg N kunstmest (normaal 270 kg N), drijfmest gelijk (Agrimest).
|
Dhr. Pauw te Garminghe, melkveehouderij: gve/ha: 1.8, quotum: 400.000 kg. 38 ha. zandgrond (pH: 5.2, org. stof: 10%).
|
Agrimest + EM: sinds jan.’97, 20 liter EM in één keer in de kelder gebracht.
Graslandbeheer: Op 10 ha: 1jaar kleimineralen, 1x zeeschelpenkalk, 1x1 liter EM/ha.. Bemesting: Kunstmest en drijfmest gelijk (Agrimest)
EM: Bij pinken door drinkwater, bij koeien over ruwvoer: Positief.
|
Dhr. Grotemarsink te Ommen, melkveehouderij: gve/ha: 2.2; quotum: 375.000 kg. 24 ha zandgrond. (pH: 5,7; org stof: 8%).
|
Agrimest: sinds herfst 95 Graslandbeheer: In 1997 is 10 ha behandeld volgens Agriton systeem (EM, zeeschelpenkalk en kleimineralen) Bemesting: Alleen 120 kg MAS/ha voor eerste snede (normaal 400 kg + 250 kg elke volgende snede), Daarnaast 25 m3 drijfmest/ha voor eerste snede(normaal 40) en ruim 10 m3 drijfmest/ha bij volgende snedes (normaal: 25).
EM:
|
Mts. Beltman te Zwolle, melkveehouderij: quotum 730.000 kg. 55 ha zandgrond. (pH: 4.9-5.7; org. stof: 5-9 %).
|
Agrimest/EM: Nee
Graslandbeheer: Voorheen: In totaal 400 kg zuivere N /ha.(drijfmest 35 m3 /ha en kunstmest, aangevuld met enig fosfaat en spoorelementen).
In 1997: Voor eerste snede gebruikelijke hoeveelheid drijfmest (20 m3/ha) en kunstmest.
Na eerste snede: 1x kleimineralen (200 kg/ha) en 1 liter EM/ha. Vervolgens na elke snede 1 liter EM/ha. In de herfst is zeeschelpenkalk gegeven. Daarnaast is de kunstmestgift teruggebracht tot 2/3 van gebruikelijke hoeveelheid.
|
Dhr. Hollak te Dalfsen, melkveehouderij. 36 ha. Zandgrond. (pH 5.2; org. stof 3.5%).
|
Agrimest: sinds 1996
Graslandbeheer: In 1996 op 7 ha gescheurd grasland kleimineralen (200 kg/ha), zeeschelpen (500 kg/ha) en 30 ton drijfmest/ha.
Daarnaast: In 1997 is EM aan alle graskuilen toegevoegd (aan de wiersen). Dit bevalt uitstekend:
Gaat in 1998 EM toevoegen aan de drijfmest (samen met de Agrimest); aan alle kuilen (inclusief de maïskuil); en tevens aan enige percelen. |
Dhr. Breukers te Beckum, melkveehouderij: gve/ha: 3.3, quotum: 280.000 kg, (tevens aantal varkens). 18 ha. zandgrond (pH: 6, org. stof: 5%).
|
Agrimest bij koeien: sinds 96. EM bij varkens: sinds 96.
Graslandbeheer: Op 1 ha: 2jaar kleimineralen, 1x zeeschelpenkalk, 1 liter EM/ha..
Op 12 ha. 1jaar kleimineralen, 1 liter EM/ha..
EM over Maïs: EM in banen over maïs gespoten. Waar EM was gespoten geen builenbrand, waar geen EM was gespoten wel builenbrand. |
Dhr. van Haerst te Vroomshoop, melkveehouderij: quotum 270.000 kg, fok (100) en mestvarkens (700). 16 ha. Zandgrond, (pH: 5.8, org.stof: 4.1-8.5%; enige percelen tot 12%).
|
Agrimest + EM: sinds herfst 97 (1x/week), EM: 2 liter/350 m3; voorjaar ‘98 nog 1liter EM.
Daarnaast: EM in kuil (1 liter EM/6 ha gehakseld gras):
|
Dhr. Leyenaar te Wons, melkveehouderij: gve/ha: 2.2, quotum: 298.000 kg. 27 ha. zware knipklei (pH: 5.5, org.stof 11%).
|
Agrimest: sinds 95.
EM:
In voetbad i.p.v. formaline: |
Biologische Boeren:
Dhr. van Dijk te Boyl, biologisch dynamisch bedrijf: gve/ha: 1.5, quotum: 310.000 kg. 44 ha. zand op leem.
|
Agrimest + EM: Nee. Graslandbeheer: Op 44 ha: 1jaar kleimineralen, de helft van ieder perceel 1 en 0,5 liter EM/ha.. Bemesting: vaste mest, EM is ook in één mesthoop verwerkt:
|
Dhr. Bruinsma te Ter Idzard, biol. melkveebedrijfbedrijf: gve/ha: 1.4, quotum: 325.000 kg. 43 ha. zandgrond met leem/veen (pH: 5.5, org. stof varieert sterk).
|
Agrimest: sinds 93, EM sinds 97.
Graslandbeheer: Op 43 ha: 2jaar kleimineralen, 1x zeeschelpenkalk. Bemesting: drijfmest (met Agrimest)
|
Dhr. Hooisma te Langezwaag, biologisch melkveebedrijf: gve/ha: 1.7, quotum: 485.000 kg. 46 ha. zand/veen (pH(H2O): 6.5, org. stof: 10%).
|
Alleen EM in de mest:
Graslandbeheer: Op 20 ha: elke helft van een perceel 1jaar kleimineralen
EM in voetbad / voeren van zeeschelpenkalkmeel:
EM in drinkwater:
|
Dhr. de Jong te Lexmond, biol. melkveebedrijf (sinds 97): gve/ha: 2.5, quotum: 225.000 kg. 37 ha. rivierklei (pH(H2O):7.1, org. stof: 6-10%).
|
Agrimest: sinds herfst 96, EM sinds 97.
Graslandbeheer: Op 30 ha: 2jaar kleimineralen, 1 en 4x0,5 liter EM/ha..
|
HOMEPAGE
EMRO Nederland
Agriton.com
Meer informatie? E-mail: info@agriton.nl
Agriton, Molenstraat 10-1, 8391 AJ Noordwolde Fr.
Tel:0561 433115, Fax:0561 432677, e-mail: info@agriton.nl, www.agriton.nl